Dit wordt een verrassing. Samen met Merel dwaal ik door de ruimtes rond haar atelier, spelonken vol ijzer, onderdelen van machines, huisraad, gereedschap en ander, niet meer te herkennen gerei. Het zijn haar schatkamers. Ooit, zo weet ze en zo bewijst ze telkens weer, ontstaat er uit deze materie een nieuwe sculptuur, liefst een die beweegt. Ze toont me de beelden die naar Bredelar gaan komen, stuk voor stuk in gedemonteerde (soms hopeloos deplorabele) staat en merkt monter op: 'dan heb je in ieder geval even het materiaal gezien'.

 Want het materiaal, daar gaat het om. Hoe vaak zal ik dat nog horen, tijdens mijn atelierbezoeken, bij al die beeldhouwers.
En toch, als je bij Merel naar de foto's kijkt van Het orgel van het oordeel, dan is er van al die reut in haar schatkamers weinig terug te vinden. Integendeel, de onderdelen zijn keurig op maat gemaakt, zorgvuldig ontroest, gelast, gevijld en geschilderd, allemaal even groot en vooral: allemaal functioneel. Ik hoop op een luid klinkende machine, want ik heb er een speciaal plekje voor, daar in dat prachtige gerenoveerde, oorverdovend stille klooster. Ik kan me nu al voorstellen hoe het gaat: je draait aan het wiel en de mokers boven de vierkante buizen worden opgetild. Maar dan? Hoe klinken die buizen, die zo even groot en keurig in het gelid staan? Hoe lang zijn de tussenpozen tussen de ene en de andere? Zingen ze soms ook samen? Is er harmonie, een akkoord? Als ik het haar vraag glimlacht Merel geheimzinnig en ik zie haar denken: 'wacht maar af, ventje'.

ovho02

En nadat ze het klooster in Bredelar bezocht had, stelde ze nog een beeld voor, voor buiten. Het ding wat er schoon genoeg van heeft en zichzelf ingraaft. Vind je het gek dat ik bij dit beeld moet denken aan Attica van Robin Kolleman, dat straks in dezelfde tentoonstelling te zien zal zijn? Zowel de titel als de vleugels doen me er aan denken en ik realiseer me: de tentoonstelling wordt een nieuwe context waar de beelden op elkaar gaan reageren.
Ze zijn niet meer alleen en ze werken samen aan het totaal van de tentoonstelling, die als een gedicht gelezen kan worden, een gedicht waarin elk woord en elke regel nieuwe betekenis krijgt, terwijl ze een onverwacht geheel tot stand brengen.

ding dat zich ingraaft2

Het ding wat er schoon genoeg van heeft en zichzelf ingraaft, 2011, Metaal, folie en touw, L x b x h = ca.300 x 300 x 140 cm

En – het moet gezegd – dat gedicht schrijf ik niet zelf en ik schrijf het niet alleen. Het zijn de kunstenaars die de beelden aandragen en de beelden die met elkaar een verhouding aangaan, en de tijdgeest, wat dat dan ook wezen mag, en de ontmoeting en het klooster en de ruïnes en de atmosfeer van het verleden en de huidige regio.
Maar laat het dan wel door aanwezigheid gedragen worden. Laat het ding wat er schoon genoeg van heeft zich vooral niet zo diep ingraven, dat het onzichtbaar wordt.

Horen deze beelden niet juist daarom in deze tentoonstelling, omdat ze gemaakt zijn om deze stille gronden opnieuw tot leven te wekken? Heeft de kunstenares met haar voorstellen misschien iets speciaals voor, een oordeel over Klooster Bredelar of een schoon genoeg van het klooster? Stelt ze zich nadrukkelijk op aan de kant van de ijzerindustrie, die hier honderden jaren gewoekerd heeft? De beelden zullen het ons vertellen, straks als ze daar eenmaal staan, in de zomer. Wat een avontuur...

over Merel Holleboom