Natuurlijk, in een oogwenk lees je wat je ziet: een dochter op de schouders van haar vader. Een eenvoudige sculptuur met eigentijdse, gladde vormen. Je bent er zo klaar mee. Maar waarom laat het beeld je dan niet los?

Omdat het zo groot is? Vanaf bijna drie meter hoogte kijkt het meisje op ons neer. Of kijkt ze naar de grond, een beetje angstig voor die onmetelijke diepte, een beetje bang om te vallen? Ze houdt haar voeten uitgestrekt naar beneden, als om zich in evenwicht te houden.

Vader en dochter zijn ook wel een beetje koddig, onhandig, hulpeloos. Zo van, wij kunnen er toch ook niets aan doen, dat we zijn wie we zijn?
Is het echt een meisje of is ze al een vrouw? Draagt ze niet een beetje ouwelijke jurk? Wat betekenen die ontblote lichaamsdelen bij elkaar, de onderarmen van de vader, zijn blote handen die de blote benen van het meisje vasthouden?

Ja maar, dit is toch een lief beeld! Dit is toch wat elke dochter wil, paardje rijden op vaders sterke schouders? Dit is toch wat elke vader wil, kaboem kaboem, door de kamer galopperen, haar dragen op zijn sterke rug, terwijl zij zich vastklampt aan zijn hoofd. En toch... Kijk nog eens naar het meisje. Er is geen kaboem, er is geen vastklampen. Ze strijkt, enigszins weifelend, met een hand door het haar. Haar jurk ligt over het hoofd van de vader, dat daaronder zo sterk opbolt, dat ze wel zwanger lijkt. En hij galoppeert niet, doet geen kaboem; hij wacht - lichtjes geknikt in de knieën, heel voorzichtig, met zijn voeten naast elkaar.

Is hier misschien precies dát moment vastgelegd, waarop dochter en vader allebei beseffen, dat de tijd voor deze spelletjes voorbij is? Dat elk van hen van nu af een andere weg zal gaan, zij naar een andere man en hij zonder haar. Ach nee, er zit natuurlijk al lang van alles van hem ín haar, en als zij straks, misschien ooit, werkelijk zwanger wordt, zal zich iets van hem nestelen in haar kind. Duidelijker kan het beeld dat niet laten zien.

Het is de sculptuur zelf die dit filosoferen in je oproept, terwijl je in de intieme stilte waarin je met deze twee samen bent, hen bijna ongepast bekijkt. Je ongemakkelijk voelt zó dichtbij te zijn, terwijl het toch de gewoonste zaak van de wereld zou moeten zijn, té gewoon, vader met dochter...

Toen ik een tentoonstelling van Paul mocht openen in het Stedelijk Museum in Kampen, in 2012, zei ik het volgende: 'In een tijd die bol staat van het nieuws over misbruik in de kerk, in kindercrèches en in pleeggezinnen, die tegelijkertijd een tijd is waarin 4 miljoen mensen zich op zondagavond nestelen voor de televisie om daar te gaan kijken hoe hordes vrouwen hun favoriete boer proberen te krijgen, moet intimiteit, en ook seksuele intimiteit, opnieuw overdacht worden. Daarbij gaat het niet om valse sentimenten, of om belerend met het vingertje wijzen, maar om het in ogenschouw nemen van alles wat met intimiteit te maken heeft. Het blijkt dat beeldhouwer Paul de Reus daar een uitstekende weg voor heeft weten te vinden: namelijk het stilzetten van de beelden op het moment dat onze emoties het hardst door elkaar geschud worden.'

Zo bezien is het beeld Vader en dochter een eigentijds beeld voor de eeuwigheid. Het past in de kloostertentoonstelling van een klooster dat eeuwen geleden met vrouwen begon, in een tijd dat vrouwen niet alleen om religieuze redenen in het klooster traden. Het beeld zelf wekt nu een ander denken over de vrouw, terwijl het tegelijk ook zelf een andere betekenis krijgt, door zijn plek in deze tentoonstelling. Beeld en tentoonstelling werken op elkaar in.

over Paul de Reus