In onze tentoonstelling een van de weinige niet-figuratieve sculpturen. Dr. Arie Hartog schrijft over hem: "Uitgangspunt voor de grote sculptuur „Land" is de golvende horizonlijn van een gebergte, die in gebogen staal wordt omgezet. Uit een dergelijke oorspronkelijk in de natuur gevonden vorm ontstaat een doorzichtige transparante structuur die ruimte omsluit." Een bondige samenvatting van wat er te zien is en een erg belangrijke opmerking: dat deze niet-figuratieve sculptuur wel degelijk op een 'figuratieve' ervaring is gestoeld.

De uiterlijke vorm die verwijst naar het landschap was niet de enige reden om deze sculptuur te selecteren. Want in de samenhang van een tentoonstelling wint elke sculptuur aan nieuwe betekenissen. Het gebruikte materiaal en de manier waarop het is toegepast was minstens zo belangrijk voor onze keuze. De vorm verliest ongetwijfeld aan vorm door haar doorzichtigheid. Doorzichtig zijn benadrukt de rol van het licht dat niet alleen op- of tegen de sculptuur valt, maar op een aantal plaatsen ook er doorheen. Daardoor ontstaat onderscheid tussen 'constructie', die plaatsen waar het licht stuit op ondoordringbare buizen, en 'ruimte', die plekken waar het licht als door een sluier gefilterd wordt. De roestvrijstalen sluiers die tussen de buizen gemonteerd zijn maken het licht diffuus, waardoor het zich onderscheidt van de vlakke galeriewand erachter, en van de niet-zichtbaarheid van de ruimte. Dat wil zeggen dat zich een nieuwe ruimte voordoet in de ruimte waarin wij ons bevinden, een ruimte die deels wordt bepaald door de constructie, deels door het gefilterde licht, dat in wisselwerking treedt met de ruimte om de sculptuur heen.

Je zou het begrip sluier kunnen afzetten tegen het woord huid, wat niet hetzelfde is, omdat een sluier altijd min of meer doorschijnend is, en een huid niet. Daarbij valt de voile als een waas over het hoofd voor het gezicht langs, terwijl de huid gesloten materie is die de constructie – het hoofd en skelet - bedekt. In deze sculptuur doen sluier en huid zich gelijktijdig voor, omdat ze transparant en materiaal is, zonder het onderliggende skelet te verhullen.
Axel Anklam maakt zodoende van twee van de belangrijkste eigenschapen van sculptuur – het oppervlak en de ruimtewerking – één onderwerp. Om het goed te kunnen zien moeten wij om de sculptuur heen lopen en telkens nieuwe ruimtes ontdekken, die verwarrend zijn wanneer zij elkaar doorschijnend overlappen. Wij krijgen al bewegend dus telkens nieuwe inzichten, die eveneens verwarrend met elkaar overeenkomen. Tegelijkertijd wordt ons eigen lichaam, met zijn niet doorzichtige huid, voelbaar als een begrensde ruimte, die in de omgevende ruimte wel en in de sculptuur zelf niet aanwezig kan zijn. De wisselwerking buiten-binnen en de onmogelijkheid van toetreding tot beiden tegelijkertijd, wordt beklemtoond door de onbevangen speelsheid van het licht.

Het woord klooster stamt af van het Latijnse 'claustrum': dat betekent 'afgesloten ruimte' In deze kloosteromgeving komt de nadruk, boven de opzettelijkheid van de sluier, waarmee de vrouw zich onherkenbaar bedekt, terwijl zij zelf zicht houdt op de wereld om haar heen, te liggen op de ruimtelijkheid van de vorm. (Christelijke zusters dragen wel een habijt maar geen sluier.) Ruimtes worden herkend aan de visuele afbakening van wanden en muren, of zoals hier, aan de transparante scheiding tussen binnen- en buitenruimte. Zo bezien is de sculptuur een zinnebeeld voor de transparante huid en voor de afgesloten ruimte van het klooster, die in wisselwerking treedt met alles daarbuiten. Het filter werkt natuurlijk in beide richtingen. Dat de sculptuur van staal is en herinnert aan de latere industriële inrichting van het klooster, is misschien louter toeval.

over Axel Anklam